De boer heeft geen onzinbaan en is nog steeds trots op zijn werk

‘Enorme groep werknemers draagt helemaal niks bij aan de maatschappij’ kopte Algemeen Dagblad dinsdag. De krant citeerde hoogleraar antropologie David Graeber, die al vaker sprak over onzinbanen. Telemarketing, personeelszaken en public relations: zouden we in opstand komen als deze banen zouden verdwijnen? ‘Het is veel waarschijnlijker dat we het niet eens zouden doorhebben.’

Diezelfde dag publiceerde Trouw de bijlage ‘De staat van de boer’. Over boeren kunnen we van alles maar niet dat hun werk zinloos is, of dat we niet door hebben als ze zouden verdwijnen. ‘Voedsel moet de trots zijn van boer én burger’, kopte Trouw dan ook in deze bijlage.

Meest opvallende woord voor mij in ‘De staat van de boer’ was ‘trots’. De lofzang op de trots begon al op de voorpagina van de krant: uit onderzoek, uitgevoerd door agrarisch onderzoeksbureau Geelen Consultancy, “komt een beeld naar voren van een beroepsgroep die nog altijd oprecht trots is op het vak.” Maar die trots wordt gekrenkt door een buitenwereld die hen niet begrijpt, door politici, media, supermarkten en milieuorganisaties.

Binnenin het katern meer trotse boeren. De krant interviewt Tjirk van der Ziel uit Ede, die vertelt over het concept ‘Herenboeren.’ Kern van het plan: “lokale teelt, regionale afzet, en de trots als bindende factor.”

Met het woord ‘trots’ is iets vreemds aan de hand. We genieten van onze kinderen, als ze trots vertellen dat ze een voetbaltoernooi hebben gewonnen. Sterker nog, we zouden ons ongerust maken als ze niet trots op hun prestatie waren, maar de gewonnen beker achteloos in een hoek gooien. Aan de andere kant houden we niet van mensen die te trots zijn ooit eigen ongelijk te erkennen, of te trots om een verontschuldiging over de lippen te krijgen.

Wat is er met trots aan de hand? We komen het woord in Nederland al vroeg tegen. Het staat dan voor fierheid. De Vlaming gebruikt fier en trots nog steeds als synoniem. Maar die fierheid kan omslaan in hoogmoed. En daar houden we niet van.

In zijn etymologische boek Van Aalmoes tot Zwijntjesjager beschrijft P.H. Schröder dat het woord ‘trots’ pas sinds de Lutherbijbel in 1648 in het Nederlands is vertaald, voorkomt in de betekenis van: hoogmoed, overmatig gevoel van eigenwaarde, verwatenheid. Onze worsteling met de negatieve betekenis van trots is dus een protestantse erfenis.

Opmerkelijk genoeg verwijst de trotse boer Tjirk van der Ziel uit Ede ook naar 1648, naar de Vrede van Münster, die een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Republiek.

Om het einde van de Tachtigjarige Oorlog te vieren, zegt Van der Ziel, werd voorop in de optocht een koe meegetorst, hoog en voor iedereen zichtbaar, als symbool van de welvaart. Koeien figureren ook in de schilderijen uit de Gouden Eeuw. Nederlanders vinden helemaal niet dat de koe in de wei hoort vanwege dierenwelzijn, maar omdat ze deel uitmaakt van de culturele erfenis. “Dat is het sentiment dat we moeten aanboren: de trots. Boerentrots en burgertrots.”

De boer wilde trots zijn, maar Luther verbood het hem. Totdat we nu, met alle zinloze beroepen op ons netvlies, beginnen te beseffen hoe belangrijk het is trots op een beroep dat zin heeft, en iets bijdraagt aan de maatschappij.

Mede mogelijk gemaakt door Instituut Gak.